Waarom zoveel geopolitieke analyses niets voorspellen

2 27 januari 2026

Ik werd getriggerd door een post van Mildred Hofkes over het interview van Mark Rutte bij Humberto Tan. Niet omdat ik haar volledige analyse per se onjuist vond, maar omdat ik herkende hoe snel we geneigd zijn gedrag te duiden vanuit één dominante lens en hoe weinig ruimte er dan overblijft voor rol, context en strategische intentie.

In haar analyse werd Rutte neergezet als iemand die dreiging bagatelliseert, die normaliseert wat niet normaal zou mogen zijn en die daarmee leiderschap tekortdoet. Dat oordeel is begrijpelijk vanuit een governance- en waardenperspectief, maar het is precies daar waar het voor mij begint te wringen. Niet omdat waarden onbelangrijk zijn, maar omdat gedrag dat je beoordeelt altijd plaatsvindt binnen een specifieke rol, met specifieke verantwoordelijkheden en een specifiek doel.

Weer een ander, Theo Kerstholt, gaf hier een interessant perspectief op. Hij stelde dat Rutte hier niet spreekt als vrij commentator, maar als NAVO-secretaris-generaal. In die rol is zijn primaire taak niet het publiekelijk markeren van morele grenzen, maar het bijeenhouden van een uiterst fragiele internationale constellatie waarin escalatie voorkomen moet worden. Wat dan al snel wordt gelezen als wegwuiven of trivialiseren, kan in werkelijkheid een bewuste vorm van de-escalatie zijn. Dat is geen zwakte, maar een vorm van leiderschap die alleen zichtbaar wordt als je bereid bent je eigen normenkader tijdelijk los te laten.

Voor mij is het gebrek aan nuance dat hier werd blootgelegd precies waar het publieke debat vaak ontspoort. We blijven kijken door onze eigen niche, onze eigen professionele identiteit, onze eigen morele maatstaven en vergeten dat gedrag zich niet laat begrijpen zonder die laag van rol en context mee te nemen. Dat doen we ook, omdat het super spannend is om in het hoofd te kruipen van iemand die de veroorzaker is van ellende. Want stel je voor dat je iets donkers bij jezelf tegen komt. Iets wat je helemaal niet wilt begrijpen. Het gevolg van dit alles is dat analyses steeds sneller normatief worden en steeds minder verklarend. Sterker nog, ik vraag mij vaak af of we wel verklarend móéten zijn. Mensen hebben hier, vanuit de werking van het brein, behoefte aan. Open vragen stellen en niet direct antwoord krijgen levert immers vooral onzekerheid op. Maar zonder die ruimte verliezen analyses hun voorspellende waarde, hoe inconsequent en contraproductief dat ook lijkt.

In de reacties zag ik hetzelfde mechanisme terug bij mensen als Sander Schimmelpenninck, die eerder ook publiekelijk stelling nam tegen uitspraken van Caroline van der Plas, toen zij aangaf dat in de Tweede Wereldoorlog de binnenkomst van de geallieerden ook niet geaccordeerd was. Op de korte termijn kan zo’n reactie moreel bevredigend voelen, maar op de langere termijn werkt dit juist polariserend en krijg je het tegenovergestelde effect van wat je zou willen bereiken. Mensen die zich met die persoon identificeren, voelen zich mee weggezet. Het gevolg is geen reflectie, maar juist meer simplificering en verharding.

Dat is geen theoretisch risico, dat is voorspelbaar gedrag. In mijn werk heb ik geleerd dat mensen die zich onbehoorlijk gedragen vrijwel nooit reageren op een appel op behoorlijkheid. Integendeel, ze trekken zich verder terug in hun positie of escaleren hun gedrag. Als je het hogere doel wilt beschermen, bijvoorbeeld stabiliteit, veiligheid of de-escalatie, dan vraagt dat soms om gedrag dat aan de buitenkant schuurt met je eigen normen.

Ik heb dat zelf geleerd in contexten waarin morele afstand nemen geen optie was. Bij de reclassering voor het maken van rapporten aan de rechtbank en het begeleiden van afgestraften, bij de AIVD in veiligheidsdossiers, in gesprekken waarin mensen alles te verliezen hadden. Als ik daar mijn eigen verontwaardiging leidend had laten zijn, ook al was die onderbouwd vanuit mijn professionele niche, had ik nooit toegang gekregen tot motieven en belangen. Zonder die toegang is gedrag niet te begrijpen en zeker niet te beïnvloeden.

Dat vraagt iets ongemakkelijks: het vermogen om waarheid en werkelijkheid tijdelijk van elkaar te scheiden, zonder één van beide los te laten. Weten wat je vindt, maar het niet altijd inzetten. Je ego kunnen reguleren. Je professionele identiteit even parkeren. Dat is geen relativisme, dat is vakmanschap.

Wat mij steeds meer vermoeit in het publieke debat is niet het verschil van mening, maar de snelheid waarmee analyses worden gemaakt en daardoor juist dichtklappen. De neiging om meteen te duiden, te veroordelen en positie te kiezen, zonder eerst te vertragen en te onderzoeken wat er onder het gedrag ligt. Dat maakt ons misschien principieel zichtbaar, ook met views hier op linkedin, maar inhoudelijk minder scherp. Daarom ga ik niet vaak, of bijna nooit, online in op verzoeken om als gedragsanalist een analyse te geven. Daarvoor kom je maar naar mijn training 😉

Gedrag laat zich niet lezen door harder te spreken, maar door beter te kijken. Door in potentiële scenario’s te denken en achter mogelijke motieven en belangen te kijken. En soms betekent beter kijken dat je accepteert dat het beeld even wazig wordt, omdat je je eigen bril afzet. Dat voelt oncomfortabel, maar precies daar ontstaat ruimte voor echte duiding. Misschien wil die ander dan wel even dichter bij jou aan tafel zitten, om het voor jou scherper te maken. (Hey, waar kennen we dat van 😉)

De vraag die ik mezelf blijf stellen, ook in dit soort discussies, is niet of iets moreel zuiver oogt, maar of het op een integere manier nog steeds bijdraagt aan het hogere doel binnen de rol die iemand vervult. Wie dat onderscheid niet kan maken, hoe deskundig ook, loopt het risico zijn eigen niche belangrijker te maken dan de werkelijkheid waarin dat gedrag functioneert.

En dát is, zeker in deze tijd, misschien wel het grootste leiderschapsrisico.